Hoofdpersoon
Kruimeltje is de hoofdpersoon in het boek. Hij is een arme
straatjongen, die door zijn moeder is achtergelaten. Zij kon
niet meer voor hem zorgen, omdat ze erg arm was. Kruimeltje
woonde daarom bij mevrouw Koster. Kruimeltje moest geld verdienen
om bij mevrouw Koster onderdak te krijgen.
Plaats
Het verhaal speelt zich af in Nederland, Rotterdam en het
Wilde Westen.
Probleem
Het probleem in het boek is dat Kruimeltje geen ouders heeft
en niet weet wie zijn ouders zijn, en hij heeft geen onderdak.
Samenvatting
Op een dag werd mevrouw Koster dronken. Ze zette Kruimeltje
op straat. Hij kwam langs een winkel met een luifeltje, onder
dat luifeltje stond een kistje.
Kruimeltje vond in dat kistje een hond. Hij ging bij de hond
liggen. De volgende morgen werden Kruimeltje en de hond gevonden
door de winkelier. De winkelier heet Wilkes. Wilkes had Kruimeltje
brood en koffie gegeven.
Kruimeltje, Wilkes en de hond werden goede vrienden. Ze noemden
de hond Moor. Toen Kruimeltje de bioscoop wilde binnensluipen,
zei een oude man dat mevrouw Koster op sterven lag. Kruimeltje
vergat de bioscoop en rende naar mevrouw Koster. Vlak voordat
ze stierf gaf ze aan Kruimeltje een envelop. Daarin zat een
medaillon met twee foto’s. Onder de foto’s stond:
Harry Volker en Lize van Dien.
Kruimeltje ging weer naar Wilkes. Wilkes vertelde verhalen
over het Wilde- Westen, dat hij met Harry goud had gezocht.
Maar kruimeltje wilde meer weten over Harry Volker. Wilkes
zei, dat het een studiegenoot was van vroeger.
Kruimeltje trok bij Wilkes in. Wilkes had plannen om Kruimeltje
naar school te laten gaan. Maar helaas brandde het winkeltje
af. Wilkes moest naar het ziekenhuis, want hij had een longontsteking
gekregen. Toen Wilkes in het ziekenhuis lag, ging Kruimeltje
weer zwerven. Hij bezocht die nacht de kerk, maar hij werd
eruit gegooid. Kruimeltje ging met Moor tegen een paal liggen.
Een politieagent vond hem verkleumd van de kou. Kruimeltje
werd naar een gesticht gebracht voor onverzorgde kinderen.
En Moor werd naar een kennel gebracht. Een kennel is een hondenverblijf.
Kruimeltje had een hekel aan het gesticht. Hij ontsnapte en
redde Moor uit het kennel.
Wilkes kwam uit het ziekenhuis. Hij stuurde Kruimeltje naar
school. Kruimeltje vond school helemaal niet erg maar juist
leuk. Wilkes ging naar het Wilde- Westen om zijn studiegenoot
Harry te zoeken. Kruimeltje en Moor gingen ook weer terug
naar het gesticht. De baas, je moest hem altijd vader noemen,
had een hekel aan Kruimeltje. Zijn zoon had ook een hekel
aan Kruimeltje. Daarom had zijn zoon geld uit de lade van
zijn vader gepikt en onder Kruimeltje’s bed gelegd.
Hij zei tegen zijn vader dat Kruimeltje geld had gepikt. Vader
wilde Kruimeltje met een riem slaan. Maar net op het nippertje
rende Kruimeltje weg. Kruimeltje lette niet op het verkeer
en rende de straat over zonder te kijken. Hij werd aangereden
door een auto. Kruimeltje was bewusteloos geraakt.
De automobiliste bracht Kruimeltje naar haar huis. De automobiliste
was Vera Di Borboni de beroemde pianiste. Vera was eigenlijk
Lize van Dien, zijn moeder. Lize zag de medaillon liggen,
ze keek erin. ,,Dat ben ik,” dacht ze. Lize wilde meteen
vertellen dat zij zijn moeder was. Kruimeltje was erg blij,
dat hij zijn moeder terug had.
Wilkes kwam terug uit het Wilde- Westen. Hij had Harry Volker
gevonden. Kruimeltje had weer zijn vader terug. Maar dat was
nog niet alles. Wilkes had ook goed nieuws: Kruimeltje had
het geld niet gestolen.
Kruimeltje, Harry, Lize en Wilkes waren weer allemaal bij
elkaar en vormden een leuk gezin. Het gesticht werd gesloten
en de wezen werden geadopteerd.
Perspectief
Het boek is geschreven in de hij vorm.
Eigen mening
Ik vind het een spannend boek, omdat ik wilde weten of Kruimeltje
zijn ouders terug vond. Ik vond het ook een leuk boek, omdat
ik de film ook al gezien had en die was ook leuk. |